Maandbrief
De maandbrief is de tweemaandelijkse publicatie van de beweging.
Hieronder het hoofdartikel van de maandbrief van sept. - okt. 2009
Geloof en leven verweven
GEZINSGROEP IN ALLE SEIZOENEN VAN HET LEVEN…
Liefste,
als het lente wordt
geloof in me
als het zomer wordt
(ver)draag me
als het herfst wordt
vang me op
als het winter wordt
dek me dan
zachtjes toe…
Er is een bijbelse leermeester die wij in onze Kerk (en in onze gezinsgroepen!) minstens één keer per jaar aan het woord zouden moeten laten. Hij wordt in alle Nederlandse vertalingen van de Hebreeuwse Bijbel ‘Prediker’ genoemd, maar is, veel meer dan een soort ‘predikant’, een vrager en een zinzoeker. Hij stelt namelijk nogal wat lastige vragen bij wat elders in de Bijbel, in de Boeken van Mozes bijvoorbeeld, soms met grote stelligheid wordt beweerd: dat er een God bestaat wiens Naam is ‘Ik-zal-er-zijn’, dat er een Land van Belofte is waar wij naartoe op weg zijn, en dat het ooit wel goed komt met deze wereld en de mensen…
Prediker is voor zoveel overmoedig geloof eerder op zijn hoede. Hij spreekt en schrijft er over op het schampere af – niet omdat hij het theologisch of rationeel oneens is met de grote woorden van zijn traditie, maar omdat hij bang is voor illusies en allergisch voor hypocrisie. Hij weet wat de hele Bijbel vanouds altijd geweten heeft over zichzelf: dat alle grote en kleine woorden, over (samen)leven, lieven en geloven, over verantwoordelijkheid voor elkaar, over ontferming en gerechtigheid, niet écht waar en betrouwbaar zijn als ze niet gedààn worden. Wààr is voor Prediker: wat door mensen wordt waar gemààkt…
‘Wij zijn geschapen om de aarde vol van geluk te maken’, zegt het eerste Boek van Mozes – Genesis. Ach, dat is mooi, reageert Prediker daarop. Was het maar waar! Maar als je eerlijk bent en lang genoeg hebt geleefd, dan weet je toch dat het allemaal heel vluchtig en ongrijpbaar is, dat geluk..? IJler dan ijl is het bestaan van een mens, of niet soms?
‘Heb lief je naaste, de vreemdeling binnen je poorten. Doe stromen gerechtigheid als levend water…’ - dat is, in een handvol woorden, heel de geloofsleer van Mozes en de Profeten.
Maar Prediker schrijft daar vlug in de kantlijn bij: ‘Ik zag alle onderdrukkingen die onder de zon geschieden; ik zag de tranen der verdrukten, zij hadden geen trooster. En aan de kant van hun onderdrukkers is enkel brute macht – en die heeft doorgaans het laatste woord…’
‘The answer is blowing in the wind…’ (Bob Dylan)
Het boek Prediker zou je het Hooglied van de scepsis kunnen noemen (naast het echte Hooglied – dat van de erotiek). Het vertolkt het geloof van een kritische kerkganger die op zondag liefst ergens op de achterste rij in de kerk gaat zitten, half achter een pilaar verscholen. En hier of daar in onszelf heeft hij ongetwijfeld ook een vaste plaats, tussen onze soms overmoedige mond en onze meestal trage handen en harten in. Tegenstem-in-ons, die ons maakt tot aarzelende twijfelaars en schoorvoetende seizoenschristenen. ‘Kohèlet’ wordt hij in het Hebreeuws genoemd, wat zoveel betekent als ‘Kritisch lid van de geloofsgemeenschap…’ Een soort volksfilosoof, alleszins geen ‘hoog verheven wijze’. Hij heeft de wereld en de mensen onderzocht: hoe ze leven, hoe ze zin aan hun leven proberen te geven. Hij heeft ‘in alles wat onder de hemel gebeurt ijverig gezocht naar wijsheid’. (1,13) Waar anderen uitroeptekens zetten, plaatst hij een vraagteken. Hij ondervraagt stap voor stap alles wat een rol van betekenis speelt in de samenleving van zijn (en onze!) tijd: het vluchtige plezier, de weelde, de passie, de wijn en de mooie vrouwen… Heel het journaal van alle dag passeert in zijn betoog de revue: streven naar macht en onrecht; zoeken naar relatie en warme geborgenheid, sparen en vergaren van geld of bezit, opzetten van commerciële ondernemingen en opbouwen van welstand. Per slot van rekening levert het volgens hem allemaal niets op, want telkens loopt alles uit op hetzelfde refrein: ‘Het is en blijft allemaal grijpen naar wind…’ Niet zonder weemoed in zijn schorre stem concludeert hij dan ook: God woont in de hemel en wij wonen op aarde. Niemand heeft die God van ons ooit gezien, ook al praten en schrijven sommigen over Hem alsof ze dagelijks bij Hem over de vloer en op de koffie komen. Wanneer weer eens één of andere bevlogen predikant uit Amerika op het scherm zijn glad-verpakte boodschap staat te formuleren, schuift hij zijn stoel of luie zetel meteen wat achteruit en mompelt tussen zijn tanden: ‘Ach man, begin toch niet te zweven, en pas toch op met al die dure woorden. Voetjes op de grond is beter, jongeheer. Spreken over God en geloof is zilver, maar zwijgen is goud. Mij maak je niets meer wijs. Daarvoor heb ik te veel gezien en gehoord…’
De houtworm van de twijfel…
Je moet dus wel tegen een stootje kunnen als je Prediker wilt gaan lezen. Als columnist is hij vlijmscherp in zijn analyse; hij doopt zijn pen vaak in azijn. Hugo Camps, die ‘tedere anarchist, op de eerste bladzijde van De Morgen – tot voor kort in een schitterende beurtrol met ‘Bernard Dewulf’ (al was die laatste meestal meer ‘teder’ dan ‘anarchist’…): alle schijn, alle façade worden van dag tot dag genadeloos doorgeprikt. De man in de marge observeert, inventariseert en concludeert, bij mondjesmaat en in een schitterende taal. Hij kent het leven tot op de draad, en maakt zich nauwelijks nog illusies, omdat hij eerlijk wil zijn met zichzelf.
Wie met de Kerk getrouwd is of met zijn geloof; wie nooit twijfelt aan eigen zekerheden of aan de overgeleverde traditie, zal in Predikers filosoferen weinig soelaas vinden. Het heeft dan ook geen haar gescheeld of zijn essay over het ‘kleine levensgeluk’ was niet in de bijbelse canon opgenomen. Hij is en blijft een randgeval in de geloofscultuur. Een marginale huis-tuin-en-keuken-theoloog, zeggen de strenge recensenten van het officiële gezag. Maar hoe langer hoe meer (met ouder worden zeker?) hou ik van die man en zijn kleine Bijbelboekje. Mensen uit de rand zijn trouwens vaak veel interessanter om te beluisteren dan Jan Modaal uit het centrum of Piet Precies van rechts-conservatief. Wie zelf nuchter is van aard en eerlijk met zichzelf, zal zich bij wijlen bijzonder door Prediker aangesproken voelen. Wie genoeg geleefd heeft, met passie geliefd en geloofd; wie met scha en schande een stuk ouder is geworden zal er een hele brok levenswijsheid en ervaring in herkennen.
Het boeiende van ‘Kohèlet’ is alleszins dat via hem ons heel gewone leven van elke dag tot in de Schrift is geraakt. Hij biedt fragmenten aan voor een ‘moderne’, geaarde spiritualiteit, een zingevingsysteem dat weliswaar aan de houtworm van de twijfel lijdt, maar tenminste niet voorbijloopt aan de feiten en gebeurtenissen van alle dag.
Steeds luider klinkt ook vandaag de vraag: Moeder, waarom leven wij? Heeft het leven zin? Probeer het zin te geven, zegt Prediker. Leer te leven van dag tot dag, met alles wat je gegeven is. Meer kun je toch niet overzien. Probeer uur na uur de zinloosheid en zinledigheid wat terug te drijven, en de tijd vol te maken met kleine gebaren van liefde en tederheid. Word gaan-de-weg een ‘En toch-mens’, een tochtgenoot van het ‘Kleine Meisje Hoop’ dat al eeuwenlang onvermoeibaar door onze straten trekt, tussen haar grote zussen ‘Liefde’ en ‘Geloof’ in. Blijf vertrouwen op de kleine goedheid, die misschien nooit spectaculair overwint maar ook nooit definitief overwonnen wordt…
Wonend in huizen van voorlopigheid…
Prediker schreef zijn gedachten op in een klein notitieboekje, dat in de joodse liturgie voorgelezen wordt in de herfst, op het Loofhuttenfeest. Dat is per definitie het feest van de voorlopigheid. De mensen in Israël gaan dan even wonen in hutjes van takken en bladeren, onder een baldakijn van sterren. Als het goed gaat bivakkeert de hele natie in die dagen even onder de blote hemel, ter herinnering aan het voorlopig onderkomen dat zo vanzelfsprekend was tijdens de woestijntocht van weleer. Spelenderwijze, als kinderen die op zolder wat oude dekens en een versleten tafellaken hebben gevonden, en er buiten in de tuin een tent mee hebben gebouwd, houden zij zo het besef in leven dat al wat zij tot op dat moment aan vastigheid bereikt hebben, enkel maar gave is uit Gods hand. Om niet te vergeten: ons bestaan is kwetsbaar. En ‘alles van waarde is weerloos’ (Lucebert). Een huis van steen en beton is voor de gesettelde burger; een hut of tentje voor de vreemdeling en passant die wij toch allen in wezen zijn. Strompelend achter een wolkkolom of hunkerend naar een zuil van vuur trekken wij voort door onze dagen, wie weet waarheen en voor hoe lang? Wij zijn altijd onderweg, tussen de liefde en de leegte. En af en toe houden wij even halt, om genoeg manna op te rapen voor één dag: een veldfles geloof, een knapzak hoop…
Wij hebben hier geen vaste voet op aarde, zegt dit jaarlijks terugkerende Loofhuttenfeest. Geen dak boven ons hoofd, geen steen zelfs om dat hoofd wat op te laten rusten. Wij kunnen beter weer leren leven als Abraham en alle andere aartsvaders: gaan-de-weg en in vertrouwen op de goede afloop. Dankbaar voor de bevrijding uit piramideland ‘Egypte’, en hoopvol wachtend op de stad van de toekomst die ooit uit de hemel zal neerdalen, op het einde der tijden.
Leven van de genade en het verlangen…
Mensen die geloven zijn tochtgenoten; zij moeten individueel en als (gezins)groep vrij blijven, zich niet te veel hechten, en al gaande met elkaar dag na dag leren leven van het verlangen en de genade. Wezenlijk en onmisbaar zijn alleen de belofte ‘Ik-zal-er-zijn’, en de zekerheid dat Hij mee gaat in onze geschiedenis, ook al zien we Hem niet…
Wanneer wij jaar na jaar in de herfst even de oogst van ons leven mogen binnen halen, en nog maar eens blij-verwonderd vaststellen dat er uiteindelijk méér dan genoeg is voor elke dag en voor iedereen (tenminste toch hier bij ons), moet het gebruik van enkele dagen in takken-tentjes te gaan wonen ervoor zorgen dat wij ons blijvend te binnen brengen hoe het vroeger was en in essentie altijd zal zijn: wij zijn een volk zonder vaste voet en bezit, nergens thuis in deze wereld, pelgrims die rondtrekken als vreemdelingen, ‘bijwoners’ en gasten. Alle goedheid van de aarde is voorlopig. Na dit feestelijk oponthoud kunnen we dan weer binnen trekken in onze huizen van voorlopigheid.
Het zal wel niet toevallig zijn dat men in Israël uitgerekend voor het boek Prediker heeft gekozen als verplichte lezing voor het Loofhuttenfeest. De gedachten van die vreemde bijbelse scepticus zijn immers helemaal niet geschikt om in de grote tempel van Jeruzalem dag in dag uit plechtig op de standaard te plaatsen, met kaarslicht en wierook eromheen. Dit is een bij uitstek nuchter en realistisch Bijbelboekje, een schuinschrift en schotschrift, af en toe wat zwaarmoedig en melancholisch, meestal mild-ironisch en vertederend-reëel. Het wordt precies op het Loofhuttenfeest gelezen, om ons te leren midden alle feestvreugde, midden de roes van luxe en comfort, altijd met beide benen op de grond te blijven staan. Kop in de wolken, romantisch dromend onder de sterrenhemel, met kleine pretlichtjes in de ogen van hoop en verwondering - dat mag in zo’n herfstige dagen wel een keer. Maar daarna weer snel met beide voetjes op de grond. En regelmatig een monkellachje om de mond erbij – dat moèt. Vanuit een weten van ‘méér’ tussen alle onzin en dagelijkse nood die anders in het jaar zo regelmatig bij ons binnenvallen…
Alles heeft zijn tijd…
Prediker heeft in zijn derde hoofdstuk een alom gekend gedicht neergeschreven over de tijd. In deze prachtig opgebouwde brok poëzie worden de menselijke bedrijvigheden en wisselende ‘seizoenen van het leven’ kort en krachtig samengebald en gesymboliseerd. Ze worden ‘verdicht’ tot een sterk stuk levenswijsheid, een ‘hymne aan het leven’. Het klinkt zo:
Alles heeft zijn uur,
alle dingen onder de hemel hebben hun tijd.
Er is een tijd om te baren
en een tijd om te sterven,
een tijd om te planten
en een tijd om wat geplant is, te oogsten.
Een tijd om te doden
en een tijd om te genezen,
een tijd om af te breken
en een tijd om op te bouwen.
Een tijd om te huilen
en een tijd om te lachen,
een tijd om te rouwen
en een tijd om te dansen.
Een tijd om stenen weg te gooien
en een tijd om stenen te verzamelen,
een tijd om te omhelzen
en een tijd om van omhelzen af te zien.
Een tijd om te zoeken
en een tijd om te verliezen,
een tijd om te bewaren
en een tijd om weg te doen.
Een tijd om stuk te scheuren
en een tijd om te herstellen,
een tijd om te zwijgen
en een tijd om te spreken.
Een tijd om lief te hebben
en een tijd om te haten,
een tijd voor oorlog
en een tijd voor vrede.
‘Alles heeft zijn uur…’ Zo begint de tekst, en we kennen die uitspraak maar al te goed, ook in onze volkse wijsheid, waar we dan vlotjesweg zeggen: ‘Alles heeft zijn tijd…’ of ‘Alles op zijn tijd…’ In de bijbelse tekst staat er letterlijk: ‘Alles heeft zijn uur’ , en daarvoor gebruikt het Hebreeuws een woord dat de Griekse vertaling weergeeft met ‘chronos’. Daarmee wordt de tijd-in-het-algemeen bedoeld, al-tijd, dat wat voor iedereen op ieder moment telt. Tijd in de ongedifferentieerde zin. En in de Griekse mythische verhalen wordt verteld hoe de God Chronos ten langen leste zijn eigen kinderen opeet – want alles gaat voorbij, fataal en zonder verhaal. Typisch ‘Grieks’ dus – èn typisch ‘postmodern’…
Achtentwintig keer geboortetijd…
Na die korte openingszin gaat de tekst van Prediker echter meteen en voorgoed over op een ander woord: ‘Alle dingen onder de hemel hebben hun tijd’ – en nu staat er ineens in het Hebreeuws een woord dat in het Grieks met ‘kairos’ wordt weergegeven. Dat is een zwaar geladen woord, dat we kennen uit het evangelie. ‘Mijn tijd is nog niet gekomen’, zegt Jezus bijvoorbeeld bij de bruiloft van Kana tegen zijn moeder. Of bij het laatste avondmaal: ‘Toen zijn tijd gekomen was…’ Daar ook gaat het telkens over de ‘kairos’. Je kunt dit best in het Nederlands weergeven met ‘seizoen’, ‘geschikt moment’, ‘gunstige tijd’…
Dus zegt Prediker vrij vertaald: ‘Voor de meeste mensen is er voor alles al-tijd alle tijd. Wat er in hun leven gebeurt en hoe, het doet er voor de doorsnee-sterveling niet toe. Maar voor wie het gelovig bekijkt (zij het met veel vraagtekens!), zit in elk seizoen van het leven een kans – niet ‘al-tijd’, maar soms. Want elke ‘chronos’ kan een ‘kairos’ zijn, een ‘chance’, een kans, een genademoment…
Daarbij komt dat dit woord ‘kairos’ hier welgeteld achtentwintig keer na elkaar staat, in een merkwaardige opsomming. Prediker die even gaat tellen om beter te kunnen vertellen, en probeert zo ‘op zijn bijbels’ de code te kraken waarmee het cijferslot van ons bestaan vergrendeld was. Veertien regels zijn er, met telkens een ‘dubbele tijd’ – één om wel en één om niet… Vier maal zeven keer een welbepaalde ‘tijd’, met een fijn gevoel voor het spel der getallen berekend op het (ver)telraam van de Schrift. Achtentwintig is immers vier maal zeven. Vier is het getal van de ruimte – de vier windstreken, het vierkant van de tempel, de omtrek ook van de Heilige Stad die uit de hemel neerdaalt in het boek der Openbaring. En dit vermenigvuldigd met zeven, het getal bij uitstek van de scheppingsweek, de allereerste ‘genesis’… Vier maal zeven brengt ons als vanzelf bij een maanperiode, de duur van een vrouwelijke cyclus. Tien zulke cycli duurt het vóórdat een mensenleven een eerste keer voldragen is. Die achtentwintig leiden dus ook feilloos naar het codecijfer waarmee ons aller geboorte is gemoeid, het magische getal van de menswording. Geen wonder dat de opsomming van Prediker dan ook begint met ‘Er is een tijd van baren en een tijd van sterven…’ Want élke ‘kairos’ is een kans op geboorte, op menswording telkens weer.
Wij mensen, zegt Prediker met veel levenswijsheid, zijn niet als de planten en de dieren – die hebben altijd alle tijd. Maar ze wórden niet, ze beleven geen schepping aan hun lijf en aan hun ziel. Er gebeurt in feite niets in hun bestaan, ze weten van geen tijd, ze worden alleszins niet telkens op-nieuw geboren. Mensen doen dat wel. Of tenminste: ze krijgen daartoe de kans, in alles wat met hen gebeurt. Mensen weten immers van vier en zeven, van ruimte en tijd, en dat die hen gegeven zijn als kans om zinvol te leven en mens te worden…
De meest vergeten seizoenen: lente en herfst…
Na die ‘tijd’ om te baren en te sterven’ volgt dan onmiddellijk: ‘een ‘tijd’ om te planten en een ‘tijd’ om wat geplant is, te oogsten…’ Kijk, daar zijn dus de ‘seizoenen van het leven’ al meteen! Maar niet zoals in de brochures en folders in de meeste toeristische bureaus en reisagentschappen. Daar gaat het bijna uitsluitend over de felle zomer en de hagelwitte winter. Want ja, de ‘trage’ seizoenen, de herfst en de lente – die verkopen tegenwoordig niet zo goed…
Prediker weet waarachtig van meer. Bij hem primeren veeleer de lente en de herfst, de twee ‘tussenseizoenen’, les ‘demi-saisons’ zoals men vanouds zegt wat de kledij betreft (we hebben voor die seizoenen zelfs geen werkwoorden in onze taal: we zeggen wel dat het ‘zomert’ en ‘wintert’, maar niet dat het ‘lente-t’ en ‘herfst-et’ of zoiets). Voorop stelt deze levenskunstenaar trefzeker het seizoen van het verlangen en dat van de twijfel en het afscheid nemen. En merkwaardig genoeg: juist die bescheiden overgangsseizoenen bieden volgens hem een grote ‘kans’ – er zit genade in! Daarna komt de dood in ons bestaan – het was niet te vermijden: ‘Er is een ‘tijd’ om te doden’. Met direct de helende, troostende tegenhanger ervan: ‘en een ‘tijd’ om te genezen’. Ook om de esculaapstaf van dokter en apotheker slingert zich telkens een slang – ambivalent en ambigu, tweestrijdig en dubbelzinnig, ziekte en lijden als kwetsbaar risico én kans op heling van ons menselijk bestaan.
‘Breken en bouwen’ is het dubbeltal dat daarop volgt. Tweeslachtig zijn we in ons doen en laten – en ook dat ten goede en ten kwade… En zo gaat het maar voort in elkaar aanvullende tegenstellingen. Tot de achtentwintig ‘tijden’ vol zijn, zeven plus zeven keer een dubbele ‘kairos’ op leven en dood…
Onze tijd wordt opgetild tot eeuwigheid…
Dit gedicht van Prediker is een uitnodiging tot een rustige wandeling doorheen het telkens wisselende landschap van ons leven, om heel het krachtenveld van onze menselijke bedrijvigheid op het spoor te komen: krachten en tegenkrachten, levenwekkende en dodende activiteiten, gebeurtenissen die naar het volle leven smaken en andere die aan de dood doen denken. Het hoort in al zijn dubbel-zinnigheid allemaal thuis in ons levensverhaal. En door dat alles heen wordt ons tijd gegeven en ruimte om te groeien en mens te worden. Leven is een voortdurend geboorteproces – bij wijlen zelfs een ware processie van Echternach…
Er zijn er die deze tekst van Prediker hebben uitgelegd als een bewijs van deterministisch en fatalistisch denken. Alles zou vooraf bepaald zijn en vastgelegd – ‘Quand c’est l’ heure, c’est l’ heure…’ Gelaten legt de mens zich dan neer bij wat God voor hem of haar heeft uitgetekend. De keuzemogelijkheid en beslissingsvrijheid, de individuele en gezamenlijke geschiedenis van mensen hebben dan weinig zin. We zijn allen tinnen soldaatjes die de Grote Albeweger op de scène van de wereldgeschiedenis naar eigen goedvinden verplaatst en verpatst. De mens is niet meer dan een kartonnen clown die met zijn beentjes en armpjes opwipt telkens wanneer de ondoorgrondelijke God aan de touwtjes trekt, en ondertussen probeert hij liefelijk te glimlachen naar het publiek. Het leven als een misplaatste, absurde grap, een triestig cadeau want een bestendige beproeving.
Ik geloof nooit ‘vanzeleven’ dat Prediker hier achter staat. Lees bijvoorbeeld maar het besluit van zijn prachtige gedicht uit hoofdstuk 3: ‘God heeft alles wat er is de goede plaats in de tijd gegeven…’ (3,11) Hier nog eens die ‘kairos’ dus – voor de negenentwintigste keer. Maar die éne, laatste keer duidelijk ook als een helemaal op-nieuw begin, over de maat en het getal heen van ons menselijk bestaan. Onze menselijke ‘tijd’ wordt ineens finaal opgetild tot ‘al-tijd’ en voor goed – tot regelrechte eeuwigheid…
Alles sal reg kom…
Al wat wij zijn, wat wij zien, ervaren, zeggen, beleven en doen is fragment, zegt Prediker. Daar kan je niet onderuit. Maar er is geen fragment en geen levensseizoen, of de Ziel van al wat leeft is er in tot uiting gekomen. Zonder dat een mens het beseft, kleeft er aan sommige van onze ‘tijden’ eeuwigheidswaarde. Ja sterker nog: er is in se geen moment zonder kans op geboorte; er is geen sterfelijk wezen, hoe mismaakt of welgevormd het ook mag zijn, waarin niet de onsterfelijke schepping is geopenbaard. Geen weldaad en geen misdaad, geen geest en geen stof, geen grens en geen duur, of ze delen op een geheimzinnige wijze in de eenheid van het bestaan. Die eenheid is God. ‘He’s got the whole world in His hand…’ En wij, fragmenten als wij zijn en fragmenten die wij realiseren, zijn niet in staat Hem in beeld of woord, en zelfs niet in gedachten of gedichten te vatten. Maar Hij is er wel. Dat staat als een paal boven water…
Wij leven hier en nu in dubbel-zinnigheid, in tegenstelling en contrasten. Zelfs van op afstand zien wij enkel maar tweeledigheid en ‘l’éternel retour’. Alleen de Ene overziet het geheel. Maar ooit wordt het kruiswoordraadsel van ons leven door Hem finaal ontraadseld. Hij legt dan onze puzzel samen. Hij maakt ons schilderijtje af en laat ons zien dat het waar is wat in het Zuid-Afrikaans zo mooi wordt gezegd: ‘Alles sal reg kom...’
Zo heeft ook Paulus het verwoord in zijn Hooglied van de liefde: ‘Nu kijken wij nog in een wazige spiegel; we zien raadselachtige dingen. Maar dan zien we van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik nog slechts ten dele, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben. Deze drie blijven altijd bestaan: geloof, hoop en liefde. Maar de grootste daarvan is de liefde…’ (1 Korintiërs 13,12-13) Die liefde doet ons onvermoeibaar zeggen tot elkaar:
Zomer me!
Laat me weelderige liefdesvruchten dragen
en wolken kleuren met karmozijn!
Herfst me!
Ga niet weg
als ik buig onder zware lasten!
Winter me!
Wacht
en waak met mij
tot de vrieskou breekt
in een nieuw begin!
Lente me,
opnieuw
en opnieuw
en opnieuw…
(Ilse Cornu in Gezocht: liefdesrelatie met toekomst)
Geert Dedecker – nationaal verantwoordelijk priester van de Gezinsgroepen
SUGGESTIES VOOR DE VERWERKING
Het leven kent zijn jaargetijden en leef-tijden. De mens kent zijn seizoenen, net zoals de natuur. Ook in elke menselijke ervaring is er een seizoen: in het zichzelf leren aanvaarden, in de liefde, in de relatie met de ouders en de kinderen, in het beroepsleven, in de hoop en de herinnering, in de passie en het verlangen…
Zo kent ook het samenleven in een gezinsgroep zijn seizoenen.
LENTE is groei, hoop, toekomst, nieuw begin. Lente is ook aarzeling, onzekerheid, nog onbepaald zijn. Alles kan nog – het nieuwe is nog maar net begonnen…
Blij zijn om de eerste krokus, het dartele veulen in de wei, de pasgeboren lammetjes. Genieten van al wat jong is en veelbelovend. Bezorgd zijn om het kwetsbare en broze nieuwe leven dat nog maar pas de kop opsteekt…
ZOMER wil zeggen: bloei, rijpheid, volwassenheid. Niet zomaar het zorgeloze genieten van de zon, van het geluk. Al mag het in dit seizoen wel even.
Maar vooral: volkomen bewust leven, in het rustige besef dat alles goed is. Met het klare en aanvaardende besef ook van de eigen begrensdheid en het ten volle kunnen uitleven van de eigen mogelijkheden…
HERFST is rusten na gedane arbeid en gelukkig zijn om de rijke oogst. Weten dat veel investering vruchtbaar is geweest. Af en toe mogen proeven van wat gerijpt is en geplukt. Mét het aanvaarden van het onvolledige, van het voorbijgaan en de ‘helaasheid’ der dingen en der dagen, van de onvervulde dromen…
Begin van de herinnering – er is voortaan meer verleden dan toekomst. Vlagen van opduikend verdriet om de gemiste kansen, de ontgoocheling om het niet waar worden van zoveel, de traagheid van jezelf en van zovelen om je heen, de weerbarstigheid van de structuren…
Het leven vol-dragen, in het besef van de onomkeerbaarheid van de tijd…
WINTER is eenzaamheid en kou. Korte dagen, lange nachten. Het kille van de vorst, maar ook bij wijlen het zilverwitte van de sneeuw. Het leven dat onderduikt – onzichtbaar wachtend of het licht het ooit nog zal winnen van het donker…
Winter is de dood die tenslotte toch gelijk schijnt te krijgen. Maar niet zonder de hoop dat de natuur en het leven ondertussen onmerkbaar hun werk doen: krachten verzamelen, leven opsparen voor morgen, voedsel en energie vergaren om straks de toekomst mogelijk te maken…
1 Probeer iets van jouw levenservaringen van lang geleden of van zeer recent eens te situeren in de kringloop van de vier seizoenen:
• wat betreft jouw persoonlijk leven;
• jullie leven als koppel, jullie relatie;
• jullie leven als gezin, met de kinderen en kleinkinderen;
• op het werk, in je beroepsloopbaan (ook huisvrouw-zijn is werken!);
• in de gezinsgroep;
• in je geloofsleven, het zoeken naar zin.
Misschien kies je duidelijk één seizoen uit, dat op dit ogenblik domineert op één van bovengenoemde terreinen. Of misschien ga je in het verleden graven, en wordt het een beetje van alles wat, alle seizoenen door mekaar. Vertel er maar wat over in de gezinsgroep, maak een klein ‘schilderijtje’ met verhalen, over ‘het leven zoals het is/was…’ en hang het even op in de groepsbijeenkomst. Speel dan zelf even voor ‘gids’ in je eigen ‘museum der herinneringen’…
2 Misschien ligt jouw sterke kant eerder in het schrijven van wat poëzie, wat mijmeringen hier en daar, een haiku of een andere vorm van reflecteren op het leven…
Schrijf het eens neer, seizoen per seizoen (of eventueel zelfs maand per maand), breng het mee en lees het voor in de groep…
3 Of misschien ben jij meer het type van de ‘verzamelaar’..? Kun je dan iets meebrengen naar de groepsbijeenkomst van wat je hebt ‘verzameld’ (‘verzamelen is: de tederheid tegenover de dingen’… zegt Cornelius Verhoeven ergens): een voorwerp, iets uit de natuur, iets uit de ‘intimiteit’ van jullie gezinsleven, een gedicht, een foto, een brief, een lied, een kledingstuk, een ‘spoor’ van die betreffende ‘seizoenservaring’? Plus natuurlijk het verhaal dat eraan vastzit…
Ter illustratie en inspiratie een reeks reeds eerder ‘geoogste’ seizoenservaringen - bij opdracht 1. Een alleenstaande man van zowat 65 jaar blikt terug op zijn leven. Hij schrijft boven zijn opgemaakte ‘kringloop der seizoenen’ volgende inleidende tekst.
De seizoenen van ons verlangen…
Zoals de natuur vier jaargetijden kent, kent ons verlangen ook vier seizoenen. Je bent in de lente als je zegt “nog niet”; in de zomer als je zegt: “misschien wel”; in de herfst als je zegt “niet langer” en in de winter als je zegt “nooit meer”…
LENTE – NOG NIET…
hongerig – dorstig – verlangend – kriebels - schept valse verwachtingen – mijn ongeduld moet nog rijpen - oefening in geduld…
vechten voor de lente, ver-langen
lof der traagheid, omzichtigheid, bescherming (in relaties)
jonge mensen niet overvragen
afleren van te oordelen
‘laat hem nog een jaar staan’, geef hem nog die kans
snoeien, wie doet dat in mijn leven?
ik blijf geloven in de mens, zoals ik blijf geloven in de lente, wanneer de ‘katjes’ bloeien…
vergeet niet dat de essentiële dingen in het leven gratis zijn: een bloem in het veld, een vogel, kinderogen, een glimlach, een woord van waardering, liefde…
nog niet, voor mij, nog niet van mij, ik heb er mij nog niet aan overgegeven dat God het verlengde zou zijn van de verwachting van een boreling - dat er Iemand daar aan de andere kant van de geboorte zal zijn om mij op te vangen. Nog niet…
ZOMER – MISSCHIEN WEL…
het zomert in mijn leven
misschien streelt me wel een andere hand dan de mijne, heel teder - misschien wel
verzadigd – overvloed – rijp - geluk, mijmering, zorgeloos…
positief denken - humor – diepte – macht, onmacht – vrede…
zonlicht, de woestijn, lange dagen
je staat niet meer piepjong in het leven
je krijgt nieuwe kansen en je wilt er iets van maken
nieuwe levensfase, nieuwe dienstbaarheid, nieuwe vriendschappen
het zomert bij mij
nieuwe liefde, Gods liefde straalt uit
zomer is met enige vertwijfeling toch energiek uitkijken naar nieuwe uitdagingen
en vurig hopen dat het kan lukken, misschien
volheid van het leven en een aanloop van afscheid
zingen tegen geweld
on garde toujours l’âge de vingt ans dans un coin de son coeur
een vreemde kan een vriend zijn die je nog niet kent…
HERFST – NIET LANGER…
de herinnering is het enige paradijs waaruit men niet verdreven wordt…
moe – te veel – anders – loslaten – last
ik voel me echt herfst in deze herfst, zo kan het niet meer verder
moe, te veel
in de lente neem ik straks de tijd om andere wegen te gaan: op deze weg, anders
zoveel blad is gevallen alsof het nooit meer lente zou worden
nevel, vallende blaren
humus, kleurenpracht
wachten op nieuw leven
de herfst blaast op de horen en ’t wierookt in het hout…
de aarde gaf ons haar vruchten, de zegen van God
God zij ons genadig en zegene ons…
WINTER - NOOIT MEER…
ik wou dat het zomer was in mijn parochiekerk
‘misschien wel’ dus, dat is mijn verlangen
maar alles voelt aan als winter –
‘nooit meer’ dus…
en dat op de plek waar het lente zou moeten zijn
omwille van de Blijde Boodschap
donker – kering – stijf – leeg – stil - ijzige kalmte - witte wollige sneeuwvlok - bijtend koud – glad- ijssculpturen - transparantie…
joran, tovenaar met één ster, p.122:
stel je voor dat het altijd lente was
of altijd zomer, of altijd winter
stel je dat even voor!
dat is toch afschuwelijk
een leven moet door seizoenen gaan
mijn oom, nu in de laatste dagen van zijn leven
ik zei: ik kom je wat courage geven
waarom? zei hij
omdat het toch een moeilijke tijd is nu om door te maken?
hij zei: dat hangt er van af hoe je geleefd hebt…
(Jeff D.)